dinsdag 29 april 2008

dunhuang - beijing

Nu ja, daar zitten we eindelijk weer eens achter een computer. Om maar gelijk met het slechte nieuws te beginnen: Casper lijdt al sinds Dunhuang aan een steeds meer ontsporende buikloop, met ondertussen koorts, rochelende hoesten en snotneuzen. gisteren was hij zo slap en hield het zo hardnekkig aan ondanks bestrijding met norit en immodium dat we gisteren ineens in het internationale ziekenhuis te Beijing terecht kwamen en ik (ja ik schrijf altijd over mezelf in de derde persoon) volledig doorgelicht werd, tot een bloedaftapping met een ongehoord grote (hopelijk schone) naald aan toe. Toch hebben we, zeker in Dunhuang eerst nog een respectabel programma weten af te draaien, vinden wij zelf. Eerst een bezoek aan de grotten met oude schilderkunst over den Boeddha in diverse stijlen, en ook beeldhouwwerken, waaronder grote zittende en liggende Boeddha's. de dag erop deden we een poging om toch nog de zwarthalskraanvogel (Marike mag nu ophouden met lezen) te scoren die uit het plan verdween door die tibetaanse opstand (die mensen hebben hun prioriteiten niet duidelijk). 180 kilometer ten zuiden van Dunhuang ligt, net binnen de provincie Qinghai, in een uitloper van het Qaidam bekken het, waarschijnlijk, meest noordelijke stukje verspreidingsgebied van deze trouwe gevederde vrind. Eerst raadpleegden we de balie van het hotel over het huren van een auto met chauffeuer voor deze actie: na moeizame navraag, bij gebrek aan kennis van Engels (en gebrek aan Chinees bij ons natuurlijk) werd ineens met grote stelligheid gezegd dat alles voor toeristen daar gesloten was door de onrusten. In eerste instantie gaven we het toen op maar twee uur later zaten we iets te eten in een Chinees eethuisje met vriendelijke dame die wel Engels sprak en haar vriend: taxichauffeur Lu, belde die gelijk bereid was. Volgende ochtend om 6 uur spoedden wij ons met Lu in het pikdonker in zuidelijke richting waarna tijdens de schemering zich een schitterend terrein van zandbergen (die in de sahara "ergs" heten) liet zien. Dit ging iets later over in steenwoestijn waarna we de bergen (altun shan) (van turks: gouden: altun (shan: berg/Chinees) bereiken en de weg zich naar een pas worstelde om na de pas in een gigantisch desolate kale hoogvlakte van een woestijn uit te komen. Na enige tijd koersen in oostelijke richting bereikten we de overgang tussen twee meertjes, die nog half bevroren waren overigens (niet gelijk waar je aan denkt bij een woestijn) Om niet te veel uit te wijden: daar waren drie van de gewraakte kraanvogels aan het roepen en baltsen en liet zich ook nog een witbandzeearend zien en groepen casarcas, indische ganzen en grauwe ganzen.
Lu vond het prachtig en draaide mooie Chinese muziek, en babbelde er vrolijk op los. (wij verstonden niets maar praatten vrolijk terug of zongen wat en dat werkte heel goed).
Nu ja, die nacht daarna sloeg de God van de darmziekten toe en ook tijdens de treinreis terug werd ik geteisterd en was zo ver heen tegen de tijd dat we Lanzhou bereikten dat ik niet eens de moeite nam uit bed te stappen. Gelukkig dat M L net op tijd ingreep. De volgende dag vlucht naar Beijing.
En inmiddels zijn we al voor de 4e dag in de hoofdstad. Gaan de meeste reizigers de Muur bekijken, het Plein van de Hemelse Vrede, het Zomer of Winterpaleis, het Mausoleum (Maosoleum?) Verboden stad etc. etc., wij maakten een alternatieve toer langs de Mongoolse ambassade (3x) voor een visum, langs een ziekenhuis (200 yuen voor een bloedonderzoek, 70 yuen voor een poeponderzoek), langs de Bank of China, langs een groot postkantoor om een pakket balast terug naar Holland te sturen, en wij genoten van de zon op het terrasje van onze suite. Dit klinkt wellicht wat cynisch maar is het niet hoor want we hebben zoveel moois gezien de afgelopen 7 weken dat er best wat af kan. Hopelijk wordt Casper gauw beter maar het lijkt gelukkig al wat beter te gaan. Nu gauw slapen, sorry dat we even geen foto's laten zien maar dat komt weer wel. Groetjes.

maandag 21 april 2008

Wolong - Dunhuang











Geachte lezers,

Toen we met de bus in Chengdu aankwamen werden we opgehaald door een hulpje van onze reisleider,Tang Jun en naar een hotel in de buurt van een bekend park in Chengdu over gebracht waar we kennismaakten met Liang en Christine (veel Chinezen, maar niet alle, hanteren een Engelse naam). Ze zijn van de vogelkijkclub in Beijing en reizen met ons mee naar de bergen.
We maakten s middags nog een wandelingetje het park in waar mooie taferelen te zien waren. Overal Taichiers op leeftijd die in de lucht stonden te graaien en groepjes muzikanten die met instrumenten en koortjes Chinese muziek vertolkten. Een man kwam op me af en bood een massage aan en in een overmoedige bui zei ik ja, omdat ik nogal wat spierpijn had van de nogal heftige tocht met zware bagage op de Emei Shan. Hij nam plaats achter mij en ving aan met een orienterend zoekend gewrijf over mijn rug en bovenarmen. Al snel wist hij de pijnpunten te vinden en begon juist die heftig te bewerken zodat algauw het schreeuwen mij nader was dan het lachen, maar je wilt je niet laten kennen.. Ik werd bij mijn kin gepakt en mijn hoofd werd met een korte ruk eerst naar links, dannaar rechts getrokken, dan een kannonade van vuistslagen over mijn gehele rug, ik werd aan mijn hoofd opgetild, bij mijn ellebogen gevat die dan langs mijn hoofd naar mijn rug getrokken werden, pas toen hij een knie mijn rug zetten en mijn schouder beetnam om daar eens flink aan te gaan trekken greep ik in. Achteraf toch weleen ontspannen gevoel, geloof ik..
De volgende ochtend vertrokken we na het ontbijt met de 4WD van Tang Yun naar Wolong, dat licht in de autonome Tibetaanse prefectuur Aba waar in het noordwesten nog grote rellen zijn geweest met mogelijk 120 doden (zo luidde het gerucht in Hong Kong). Men meent nu echter dat Wolong, gelegen in het uiterste zuidoosten van dat gebied, veilig is, dus daar zijn we maar vanuit gegaan.
De bergen werden onderweg steeds stijler en het terrein ruiger. In Wolong aangekomen namen we intrek in het hotel en gingen op bezoek bij het kweek- en opvangcentrum van de Reuzenpanda, waarvan er in dit reservaat (Wolong: de slapende draak) meer voorkomen in het wild dan waar ook ter wereld. Dit keer mochtM-L op de foto met een dier: een reuzenpanda, die naar ik meen iets van Nanrain (spreek uit Nanlang,maardie Chinezen door rare dingen met L' s en R's ) heette en anderhalf jaar oud was en best aanhankelijk.
Na het bezoek naar het hotel en gegeten met onze Chinese reisgenoten. De volgende ochtend op half 5 op om met de 4wd naar het uiterste noordwesten van hetpark te rijden waar de Balang Shan pas ligt. Het was nog stikdonker en tegen de tijd dat we echt hoog kwamen, ruim boven de boomgrens, begon het licht te schemeren en kwamen enorme besneeuwde bergtoppen in beeld. Ook een aangename verrassing was dat boven de 3000 meter de yak in grote aantallen rondzwierf over de alpenweiden wat hele mooie beelden op leverde. De pas zelf ligt op 4400 meter hoogte en het was flink koud toen we er aankwamen. De omringende bergen bereiken hoogten tot 6600 meter. Nu toch maar iets over de vogels, die toch de aanleiding waren om naar dit verre oord te trekken. We moesten hier bij zonsopgang bij de pas aanwezig zijn om het Tibetaanse sneeuwhoen te zien en ook de Tibetaanse patrijs. Ook nog enkele bijzondere vogels van minder in drukwekkend kaliber zoals roodmussen en een hele mooie grosbeak maken hier de lucht onveilig. Een andere topper is de Grandala, waarvan de naam alleen al een prijs verdient, waart hier rond. Bij grandala denk je aan een goedkope hoerenkast die sjiek probeert te doen of een oude gokhal aan de riviera "welcome to the Grandala" of van die delicate, mierezoete bonbons die dames op leeftijd opzuigen bij de koffie. De werkelijkheid is nog veel mooier: het is een bijkans lichtgevend blauw/purperen vogel van lijstergrote die vliegt als een spreeuw of een bijeneter met enkele vlugge slagen afgewisseld met lange, kantelende glijvluchten, hij leeft in de zomer steeds boven de 3500 meter in een omgeving die bij uitstek, grauw of gedekt getint is, wat ook geldt voor haar bewoners. Maar niet de Grandala: die vliegt in groepen, die in de winter op kunnen lopen tot 100en exemplaren over het terrein op zoek naar zaken van zijn gading en valt behoorlijk op. Wij zagen er enkele 10tallen. Boven het terrein zeilden verder lammergieren, himalayagieren en steenarende rond op zoek naar prooi (dooie yaks?). Tegen een uur of 3 daalden we uitgeput, (door aanvangende hoogteziekte was het zwaar ademen, en we kregen hoofdpijn en werden licht in het hoofd) weer af en gingen terug naar het hotel. De volgende dag bezochten we de lagere stukken van de zelfde route en scoorden daar vogels als: de Chinese glansfazant of Monal (kijk toch ook eens in Artis tegenover de ingang van het Aquarium waar een familielid dat sterk gelijkt in een kooitje woont) Een verder ornitologisch hoogtepunt was een groep van 5 goudfazanten in een struik in de late namiddag. De volgende dag was het weer afdalen geblazen naar Chengdu in het "Rode Bekken" wat de geografische naam is van de depressie waarin deze stad gelegen is.
S avonds op verzoek van M-L bij de Kentucky Fried Chicken gegeten, wat na al die enorme Chinese maaltijden, die soms wat moeilijk verteerbaar waren (varkensmaag, lotusbloem e.v.a) toch wel even lekker was. De volgende dag doorTang Yun naar het vliegveld geredenen in 1,5 uur naar Lanzhou gevlogen waar het in een klap 20 graden kouder bleek. Door de chauffeur Ma'a opgehaald en een studente die voor het Engels zorgde. Enorme race tegen de klok om 10 minuten voor het vertrek in de trein een plekje te vinden in een vierpersoons slaapwagen. De avond aan een maaltijd met biertje inde restauratiewagen door gebracht terwijl buiten eerst de Huang He, ook wel de Gele Rivier voorbij schoof en vele besneeuwde bergen van de Qinlian Shan, de sneeuw lag steed lager totdat we door een geheel besneeuwd landschap schoven. Vroeg gaan slapen en s ochtend bij zonsopgang al weer in de resauratiewagen om het landschap van de zogenaamde Hexicorridor te bekijken, dit is de oude meest oostelijke tak van de zijderoute. Ondertussen zaten we in de woestijn die tot aan de horizon reikte en om 8 uur arriveerden we in Dunhuang waar we na een kort taxiritje bij ons hotel aankwamen. Op straat lopen net als overal inChina tot nu toe mannen en vrouwen met glazen potten met geel vocht erin rond. Eerst dachten we dat er een uroloog in de buurt moest wonen maar het blijkt dat velen hun thee voor de dag in zo'n doorzichtige pot meetorsen.

De foto's volgen nog, want de batterij van het toestel blijkt leeg en we kunnen niet uploaden.

Van de bergen naar de woestijn







We zijn vanochtend om 8.00 uit de nachttrein in Tunhuang aangekomen, een oase in de woestijn in west China, maar ik ga nog eerst een week terug naar hetTeddybeerhotel in Emei waar Casper vertelde van de grote boedha en de rotskruiper. Toen het mijn beurt was voor het verslag over de afdaling van de heilige berg viel de stroom uit en dus pak ik de draad daar weer op, voor zover mogelijk want er is inmiddels alweer zoveel gebeurd...
We gingen die maandag vroeg met een busje de grote berg op, ontbeten hadden we
gelukkig niet want mijn blik werd steeds ongewild getrokken naar een mevrouw die 2 uur lang in een plastic zakje bleef braken. Voor ons zat een man met een klein radiootje waar steeds dezelfde boedhistische riedel door klonk. Boven gingen we met wel 100 man in een kabelbaantje omhoog naar de top waar de grote gouden tempel geheel in de mist opging, de sfeer was daardoor nog mysterieuzer. Wilde apen(de Tibetaanse makaak) probeerden onze bananen af te pakken. We dachten dat het erg druk zou worden op de grote aftocht (we zouden de berg grotendeels afdalen) maar toen we eenmaal begonnen te lopen, bleken we nagenoeg de enigen. Het hele pad bestaat uit trappen, dus we liepen urenlang een eindeloze trap af, duizenden treden. Om de zoveel tijd stond er een vrouwtje met eten en drinken, dus dat was geen probleem. Na 4 uur kregen we wat pijn in de knieen en besloten te overnachten in een klein kloostertje dat kamertjes had voor weinig geld. Het was een klein hok met 2 bedjes en het was er steenkoud, maar tot mijn grote vreugde ontdekte ik onder het bed een stekker en toen bleken er zowaar elektrische dekens op te liggen, een bijzondere luxe in al die boedhistische soberheid. Het toilet was ook een belevenis: een soort ouderwetse koeienstal zonder koeien, met open hokken met gaten (alle Chinese wc's zijn gaten in de vloer dus we zijn daar al aan gewend) en als je dan boven zo'n gat hangt om te doen al naar gelang de aard van de behoefte, zie je een meter of 3 onder je een gigantische berg stront en papier en vele bebloede verbanden. Toch was er maar een vrouwtje in dat eenzame kloostertje dus ik vroeg me af, enfin, laat maar zitten. We sliepen met al onze kleren aan onder twee enorme dekens en gingen weer vroeg op pad. Het was gelukkig mooier weer met prachtig uitzicht, mooie grote azalea's in boomvorm, apen, ook bijzonder waren ineens de paarden (of muildieren) die in grote getalen met vracht en begeleiding de trappen opkwamen. We lieten zo'n vrouwtje onderweg een lekkere omelet voor ons bakken en zij had ook gelukkig de bekende zakjes nescafe waar al suiker en melk in zit (die kopen we zelf ook steeds in de winkel want in de meeste hotels staat een waterkoker op de kamer zodat we zelf koffie kunnen zetten... China is meer een theeland). Deze tweede dag daalden we nog eens 4 uur af en bezochten nog een grote tempel. De resterende afstand deden we met de bus.
De volgende dag vertrokken we met een bus naar Chengdu.



















































































































e

arak











n